We gebruiken op deze site cookies. Door op deze site te surfen aanvaardt u ons cookiebeleid.

Ok Meer weten

News

In het kort TC - 3.2016

26/06/2017

1. Forfaitaire onkostenvergoedingen – alleen de DVB is bevoegd

Voortaan is het niet meer mogelijk een akkoord te bekomen bij een plaatselijke controleur wat de forfaitaire onkostenvergoedingen betreft[1]. Sinds 1 mei 2016 worden die dossiers immers uitsluitend door de rulingdienst behandeld volgens een nieuwe procedure die werd ingevoerd. Zo werd een model van rulingaanvraag gepubliceerd waarin alle nodige informatie wordt opgenomen die vereist is opdat de aanvraag zou worden aanvaard. Het is de bedoeling de bedragen van de forfaits te uniformiseren per aard, per functie en per sector.

Indien in het verleden een akkoord werd gesloten, is het niet meer mogelijk een verlenging ervan te verkrijgen; er dient dus een procedure – volgens de nieuwe regeling – te worden opgestart bij de rulingsdienst.

2. Nieuwe Europese Richtlijn tegen belastingontwijking

Onlangs werd een akkoord bereikt in verband met de Richtlijn tegen belastingontwijking. Voor de Belgische vennootschappen bestaat de belangrijkste nieuwigheid in de beperking van de interestaftrek.

De Richtlijn beperkt immers de aftrekbaarheid van de « netto »-interestlasten tot maximum 30 % van het EBITDA. Die beperking zou van toepassing zijn op de lasten van interesten op alle vormen van schulden, ongeacht of ze zijn toegekend door verbonden ondernemingen of door derden..

Er zou echter een zekere « speelruimte » worden gelaten aan de lidstaten, die aldus ervoor kunnen opteren die beperking niet toe te passen op entiteiten die geen deel uitmaken van een groep, of de aftrek niet te beperken tot de eerste schijf van 3.000.000 EUR netto-interestlasten.

Die nieuwe regeling zou in werking moeten treden vanaf 1 januari 2019.

Er is eveneens in andere maatregelen voorzien in verband met « Exit tax », algemene antimisbruikmaatregel, CFC-regels en « Hybrid Mismatches ».

3. « Vaste plaats van tewerkstelling » en 40-dagenregel

Ter herinnering: een belastingvrije maaltijdvergoeding kan worden toegekend aan werknemers (en aan bedrijfsleiders) als terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever in geval van beroepsverplaatsingen – andere dan « woon-werkverkeer ».

De belastingadministratie heeft steeds aanvaard dat een plaats van tewerkstelling wordt beschouwd als zijnde « vast » zodra men er aanwezig is gedurende tenminste 40 (al dan niet opeenvolgende) dagen, voor zover die aanwezigheid bestaat in een « wezenlijke » vorm van tewerkstelling.

Dat principe werd onlangs op de helling gezet door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, die oordeelt dat de 40-dagenregel (op fiscaal vlak) slechts een louter « administratieve regel » is. Niets belet dus dat op basis van concrete feiten, een plaats waar de werknemer (of de bedrijfsleider) minder dan 40 dagen aanwezig is in de loop van het belastbaar tijdperk, als een « vaste plaats van tewerkstelling » dient te worden beschouwd.

Conclusie: de administratieve regels hebben geen kracht van wet en men kan er zich niet blindelings achter verschuilen. Logischerwijs zou dat ook moeten kunnen worden toegepast in het voordeel van de belastingplichtige!

4. Franse burgerlijke vastgoedvennootschappen (Sociétés Civiles Immobilières - SCI): maken en breken is altijd … oordelen?

Op 29 september jongstleden is het Hof van Cassatie teruggekomen op zijn rechtspraak van 2 december 2004 waarbij het een stelsel van transluciditeit had bevestigd, steunende op de Franse fiscale behandeling van de vennoten van de SCI. Dat arrest van het Hof van Cassatie had met name geleid tot het arrest van het Hof van Beroep te Luik van 20 december 2006 waarbij de inkomsten van de SCI (naar gemeen recht), gekwalificeerd als onroerende inkomsten, werden vrijgesteld onder voorbehoud van progressiviteit met toepassing van de Frans-Belgische belastingovereenkomst[2].

Bij zijn arrest van 29 september komt het Hof van Cassatie dus terug op zijn rechtspraak; het is van oordeel:

  1. Bij ontstentenis van effectieve uitkering van een inkomen zouden de Belgische ingezetenen geen onroerende inkomsten in hun Belgische belastingaangifte moeten opnemen.
  2. Bij effectieve uitkering van een inkomen door de SCI aan de vennoten zou dat inkomen voor de toepassing van het Wetboek van de inkomstenbelastingen moeten worden als dividend gekwalificeerd (zijnde belastbaar tegen de aanslagvoet van 30 % vanaf 1 januari 2017).

Commentaar:

  1. Hoewel wij de vroegere rechtspraak van het Hof van Cassatie niet deelden, hadden wij onderstreept dat haar verdienste erin bestond de (economische) dubbele belasting op te heffen van de inkomsten ontvangen door SCI-vennoten die Belgische fiscaal ingezetenen zijn.
  2. Net zoals inzake de belastingheffing op dividenden in een internationale context, zou bij ontstentenis van harmonisering van de toepasselijke fiscale stelsels, de investering moeten worden aangemoedigd, in plaats van ze steeds zwaarder te belasten zonder dat daar voor de belastingplichtige iets tegenover staat.

Het Hof van Cassatie heeft de zaak naar het Hof van Beroep te Luik verwezen. Wordt vervolgd!

5. Fairness Tax: weldra het einde?

Sinds 2013 zijn de « grote » vennootschappen onderworpen aan een niet-aftrekbare afzonderlijke heffing[3] wanneer zij dividenden uitkeren en overgedragen verliezen en/of notionele interesten aftrekken die hun belastbare grondslag verminderen of tenietdoen.

Die heffing heeft het voorwerp uitgemaakt van een beroep tot vernietiging bij het Grondwettelijk Hof wegens schending van het beginsel van de vrijheid van vestiging en van de Moeder-dochterrichtlijn.

Alvorens uitspraak te doen, had het Hof beslist drie vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie, ten aanzien van de schending van die beginselen. 

Op 17 november jongstleden heeft de advocaat-generaal bij dat Hof in haar conclusies gesteld:

Er is geen schending van het beginsel van vrijheid van vestiging.

De Fairness Tax is geen bronbelasting in de zin van de Richtlijn (de belastingplichtige is immers niet de ontvanger van de inkomsten).

De Fairness Tax is daarentegen in strijd met de Richtlijn in die zin dat in een situatie van dooruitdeling van dividenden, de (opnieuw uitgekeerde) winsten van de dochteronderneming belast worden tegen aan aanslagvoet van meer dan de door de Richtlijn toegestane 5 %.

Afwachten of het Europees Hof die zienswijze zal delen … en wat het Grondwettelijk Hof daarmee zal doen!


[1] De vergoedingen die de werkgever aan zijn werknemers betaalt als terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever. Die terugbetalingen zijn voor de werknemer geen bezoldiging, en ze zijn aftrekbaar voor de werkgever.

[2] Artikelen 3 en 19 van de genoemde Overeenkomst.

[3] « Fairness Tax » genoemd.