We gebruiken op deze site cookies. Door op deze site te surfen aanvaardt u ons cookiebeleid.

Ok Meer weten

News

In het kort TC - 1.2017

27/06/2017

1. Bedrijfswagens: nieuwe regels

Op dit ogenblik is het zo dat wanneer een vennootschap een wagen ter beschikking stelt aan haar bedienden of aan haar bedrijfsleiders, de verworpen uitgaven worden verhoogd ten belope van 17 % van het bedrag van het voordeel van alle aard dat belastbaar is in hoofde van de bediende of de bedrijfsleider. Dat bedrag vormt overigens een minimale belastbare grondslag.

Wanneer dat bedrag vermindert ingevolge een persoonlijke tussenkomst van de bediende, vermindert de grondslag waarop het te verwerpen bedrag moet worden berekend in dezelfde mate.

De programmawet[1] heeft die regel gewijzigd, in die zin dat de persoonlijke tussenkomst niet meer in aanmerking zal worden genomen voor de berekening van het te verwerpen bedrag in hoofde van de vennootschap.

Te noteren valt dat dit percentage van 17 % op 40 % wordt gebracht wanneer de brandstofkosten verbonden met het persoonlijk gebruik van een voertuig geheel of gedeeltelijk door de vennootschap ten laste zijn genomen.

Deze nieuwe regels treden in werking op 1 januari 2017.

2. Interne meerwaarden en andere wijzigingen

Tot dusver maakte de inbreng van aandelen van een vennootschap B waarover men de controle heeft, in een nieuwe vennootschap A het mogelijk in A een kapitaal te creëren dat overeenstemt met de reële waarde van B met inbegrip van haar overgedragen winsten. Vervolgens ging B over tot uitkeringen van dividenden en kon A die dividenden terugstorten in de vorm van een kapitaalvermindering. Behoudens de belasting op de bij de inbreng verwezenlijkte meerwaarde, maakte die techniek het dus mogelijk te ontsnappen aan de voorheffing op de winsten van B.

Tenzij de meerwaarde werd belast, zal voortaan het « gestorte kapitaal » dat wordt vertegenwoordigd door de ingebrachte aandelen van B enkel nog als werkelijk gestort kapitaal worden beschouwd (in hoofde van A) « ten belope van de aanschaffingswaarde van de ingebrachte aandelen in hoofde van de inbrenger[2] ». Anders gezegd, de ingebrachte effecten worden voortaan geacht ingebracht geweest te zijn tegen hun historische waarde.

Het gedeelte van de inbreng dat die historische waarde overstijgt, zal worden beschouwd als een « belaste reserve », waarvan de toekomstige uitkering, naar aanleiding van een kapitaalvermindering, in alle gevallen onderworpen zal zijn aan de roerende voorheffing.

Naast de hiervoor geciteerde wijzigingen voorziet de programmawet eveneens (onder meer) in de volgende fiscale maatregelen:

  • Afschaffing van de « speculatietaks ».
  • Algemene verhoging van de roerende voorheffing van 27 % naar 30 %. Het tarief van 5 % op dividenden geput uit de liquidatiereserve na de periode van 5 jaar blijft echter ongewijzigd.

Deze maatregelen treden in werking vanaf 1 januari 2017.

3. Tax Shelter voor startende ondernemingen – formaliteiten voor het jaar 2016

Ter herinnering: om startende kleine vennootschappen te steunen, is sedert 1 juli 2015 een fiscale stimulans voorzien. Onder bepaalde voorwaarden genieten de belastingplichtigen (natuurlijke personen) die in die vennootschappen investeren, aldus een belastingvermindering van 30 of 45 % van het geïnvesteerde bedrag.

Om dat belastingkrediet te genieten, is de startende vennootschap ertoe gehouden een attest op te stellen en ter beschikking te stellen van de belastingplichtige, waarin een aantal inlichtingen over de vennootschap, het geïnvesteerde bedrag enz. zijn opgenomen. Dat document moet ter beschikking worden gesteld van de belastingplichtige-investeerder vóór 31 maart van het jaar dat volgt op dat van de verwerving van de aandelen.

Een (niet verplicht) model van attest is beschikbaar op de volgende website:

http://ccff02.minfin.fgov.be/KMWeb/document.do?method=view&nav=1&id=3f9468be-6a20-45aa-a1ee-c05c0c9adc2c&disableHighlightning=true#findHighlighted

4. Regionalisatie: nieuwigheden in Brussel per 1 januari 2017[3]

Afschaffing van de gewestelijke woonbonus

De woonbonus wordt afgeschaft voor de hypothecaire kredietakten verleden voor de notaris vanaf 1 januari 2017. De gewestelijke belastingvermindering voor individuele levensverzekeringspremies verbonden aan hypothecaire leningen wordt voor diezelfde akten eveneens afgeschaft.

Eenmalig, tot 175.000 EUR verhoogd abbattement[4]

Om die afschaffing te compenseren, verhoogde de Brusselse regering het abbattement van de registratierechten verschuldigd op de verwerving van een hoofdverblijfplaats door personen die geen volle eigenaars zijn van een ander tot bewoning bestemd onroerend goed. Dat abbattement, dat voortaan eenmalig is, bedraagt nu 175.000 EUR op voorwaarde dat de waarde van het onroerend goed lager is dan 500.000 EUR. Dat verhoogde abbattement is enkel van toepassing op verkoopakten verleden voor de notaris vanaf 1 januari 2017.

Overdracht van familiale ondernemingen en familiale vennootschappen

Teneinde de continuïteit en de overdracht van familiale ondernemingen en familiale vennootschappen te verzekeren, werd het stelsel van de registratierechten en successierechten versoepeld.

De schenking van de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap gehouden door een Brusselse ingezetene, is voortaan vrijgesteld van registratierechten mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan (met name de uitoefening van een werkelijke activiteit, het behoud van het familiale karakter en de voortzetting van de activiteit gedurende drie jaar, de ontstentenis van kapitaalvermindering, enz.).

Indien aan bepaalde vergelijkbare voorwaarden is voldaan, worden de successierechten met betrekking tot de volle eigendom, de blote eigendom of het vruchtgebruik van aandelen van een familiale vennootschap van hun kant verminderd wanneer deze worden overgedragen naar aanleiding van het overlijden van een Brusselse ingezetene:

  • 3 % voor een overdracht in rechte lijn of tussen partners (gehuwden en wettelijk samenwonen);
  • 7 % voor een overdracht tussen andere personen.

Er zijn nog andere voorwaarden vereist, die van geval tot geval moeten worden beoordeeld.

Die regelingen zijn mutatis mutandis van toepassing op de activa van een familiale onderneming uitgeoefend als natuurlijke persoon.

5. Btw: verplichtingen zelfs voor de bestuurders (natuurlijke personen) die Belgische ingezetenen zijn

Ter herinnering: natuurlijke personen handelend als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar van een vennootschap worden niet beschouwd als zijnde btw-plichtig in België. Evenwel zijn volgens de algemene regel B2B de dienstverrichtingen verbonden aan een dergelijk mandaat gelokaliseerd in het land van de bestuurde vennootschap en wanneer het mandaat wordt uitgeoefend in een vennootschap die in een andere lidstaat is gevestigd, kan dit heel verschillend zijn.

Sommige lidstaten beschouwen immers de bestuurder, de zaakvoerder of de vereffenaar die een natuurlijke persoon is, als zijnde volwaardig btw-plichtig. De btw van het land waar de vennootschap is gelokaliseerd, is door deze laatste verschuldigd op de verrichtingen verbonden aan het mandaat. Om de opvolging ervan mogelijk te maken, vloeien hieruit formaliteiten voort in België.

Zo moet de bestuurder van een Duitse vennootschap die in België verblijft, zich bijgevolg identificeren bij de btw in België, facturen overeenkomstig de btw-wetgeving opmaken en periodiek een btw-opgave van zijn intracommunautaire handelingen voor de desbetreffende periode neerleggen, hetgeen de uitwisseling van informatie tussen lidstaten mogelijk maakt. Bij niet-naleving van die verplichtingen kunnen zware boetes worden opgelegd.

Sinds 1 januari 2017 geldt hetzelfde voor mandaten uitgeoefend in Luxemburgse vennootschappen.

Het is dus van belang dat de in België gevestigde natuurlijke persoon die dergelijke functies uitoefent in een Europese (maar niet Belgische) vennootschap, in de lidstaat waar de bestuurde vennootschap is gelokaliseerd, nagaat of de diensten die hij verleent in de normale uitoefening van zijn statutaire opdracht al dan niet onder de toepassing van de belasting vallen. Het is pas na die verificatie dat deze btw-plichtige de omvang van zijn btw-verplichtingen in België zal kennen.

6. VAA: terbeschikkingstelling van een kosteloze woning

De hoven van beroep te Gent en te Antwerpen[5] hebben onlangs twee gelijkaardige uitspraken gedaan met betrekking tot de waardering van het forfaitaire voordeel van alle aard (VAA) verbonden aan de kosteloze terbeschikkingstelling van een woning, vastgesteld bij artikel 18, § 3, 2°, van het KB/WIB. 

Dat artikel maakt immers een onderscheid tussen het geval waarin een rechtspersoon het onroerend goed ter beschikking stelt[6]  en het geval waarin een natuurlijke persoon het onroerend goed ter beschikking stelt[7]. Volgens die twee hoven van beroep is dat onderscheid niet verantwoord en schendt het aldus het gelijkheidsbeginsel verankerd in de Grondwet[8].

De durvers zouden er voordeel uit kunnen halen en het bedrag van hun VAA omlaag halen, om het af te stemmen op het bedrag dat is vastgesteld voor de terbeschikkingstelling van een onroerend goed door een natuurlijke persoon … dat duidelijk voordeliger is! 

Een meer voorzichtige benadering zou erin kunnen bestaan een bezwaarschrift in te dienen tegen zijn eigen aangifte met het oog op een verlaging van het oorspronkelijk berekende VAA met een coëfficiënt van 3.8[9]. Het hof van beroep te Antwerpen gaat immers ervan uit dat het feit dat men eerst het bedrag van het VAA heeft aangegeven volgens de fiscale wetgeving de belastingplichtige niet belet om die waardering vervolgens te betwisten.

We staan te uwer beschikking om de benadering die in uw geval het meest geschikt is te evalueren en volgen iedere evolutie ter zake aandachtig op.

7. Nieuwe aftrek voor innovatie-inkomsten

Het wetsontwerp betreffende de invoering van de nieuwe aftrek voor innovatie-inkomsten werd onlangs goedgekeurd[10]. Ziehier een korte samenvatting.

In een notendop: van de belastbare grondslag kan 85 % van de netto-inkomsten afkomstig van in aanmerking komende intellectuele eigendomsrechten (IE-rechten) worden afgetrokken, volgens een zekere breuk die rekening houdt met de eigen O&O-uitgaven van de vennootschap ten opzichte van het geheel van de O&O-uitgaven met betrekking tot die IE-rechten (« linkbreuk »):

                                   Aftrek = 85 % x Netto-inkomsten van IE x linkbreuk

Waarbij

Netto-inkomsten =        inkomsten uit IE verminderd met de lopende EN historische O&O-uitgaven[11]

Linkbreuk =                  de « eigen » uitgaven: die welke de belastingplichtige heeft gedragen voor de O&O-activiteiten die hij zelf heeft uitgeoefend, en/of die welke werden betaald aan een niet-verbonden vennootschap

___________________________________________________________________

in de noemer: de totale uitgaven, zijnde benevens de eigen uitgaven, die welke zijn betaald aan verbonden ondernemingen.

Anders gezegd: indien de belastingplichtige de O&O niet uitbesteedt aan verbonden derden, zijn teller en noemer gelijk.

Te noteren valt dat de Raad van State heeft geoordeeld dat het om selectieve staatssteun gaat. Hetgeen de Belgische wetgever ontkent ….  Af te wachten wat het Hof van Justitie hierover zal zeggen.


[1] Programmawet van 25 december 2016 (BS, 29 december 2016, tweede editie).

[2] Bij gebrek hieraan, wordt het gestort kapitaal geacht overeen te stemmen met de waarde van het gestort kapitaal dat door de ingebrachte aandelen wordt vertegenwoordigd, in het totaal gestort kapitaal van de vennootschap waarvan ze de vertegenwoordiging zijn.

[3] Ordonnantie van 12 december 2016, BS 29 december 2016, derde editie, p. 91885.

[4] Onder voorbehoud van bepaalde voorwaarden.

[5] Gent, 24 mei 2016 en Antwerpen, 24 januari 2017

[6] VAA = geïndexeerd KI x 3,8 x 5/3.

[7] VAA = geïndexeerd KI x 5/3.

[8] Artikel 159 van de Grondwet.

[9] Om geldig te zijn, moet het bezwaarschrift worden ingediend binnen 6 maanden na de ontvangst van het aanslagbiljet.

[10] Uitwerking met ingang van 1 juli 2016.

[11] Die zouden kunnen worden gespreid over een periode van 7 jaar, en waarvoor een systeem van  « recapture » zou worden ingevoerd in het geval waarin de historische kosten vanwege die spreiding niet integraal ten laste zouden zijn genomen.

Er dient nog te worden opgemerkt dat de historische kosten met betrekking tot de boekjaren afgesloten vóór 1 juli 2016 niet in aanmerking zullen worden genomen.